Ze is al een dagje ouder

Ze is al een dagje ouder en soms merk je dat. Zo kom ik juist mijn bed uit en kijk de zonovergoten tuin in. Na de vogeltjes en de donkerrijpe bramen, voel ik iets op mij gericht. Het zijn twee priemende ogen. Als een boeddha beeld zit ze buiten op een kussentje en staart me aan, alsof ze ergens anders is op het moment.

Een andere keer hoor ik gemorrel aan de deur van de slaapkamer, terwijl ik langzaam wakker word. Dag Tsjoe, roep ik en open de deur voor haar. Ze vleit zich langs mijn benen de kamer binnen. Ik hoor haar zeggen:”Gezellig dat je weer wakker bent.” En dat straalt ze ook uit, alleen haar huis straalt niet meer zo mooi als vroeger.

Ik ga me scheren in de badkamer en zij rommelt wat om me heen. Gewoon om bij me in de buurt te zijn. Dat voel ik.

Haar aanwezigheid is zoiets als:”Let maar niet op mij, maar ik ben wel lekker bij je, voordat ik vandaag weer mijn eigen gangetje ga.”

Het is een routine die nooit verveelt. Haar doe-dingetjes in en rond het huis. Zij zorgt voor het warme thuis gevoel, dat eeuwig onrustige zielen zoals ik, ogenblikken van rust geeft.

Zij heeft dezelfde uitwerking op mij als een tikkende klok. De herhaling houdt me vast, lang genoeg om even stil te staan en halt te houden, voordat ik me weer stort op de werkelijkheid.

Het moet gezegd worden. Ze sukkelt soms met haar gezondheid. Dan merk je ook dat ze een dagje ouder wordt. Dan maakt ze me ‘s morgens niet wakker. Kruipt ze ‘s avonds niet even bij me op de bank tegen me aan.

Nee, dan staart ze ook niet naar mij. Op die momenten lijkt ze zich voor te bereiden op de eeuwige jachtvelden. Onbenaderbaar trekt ze zich dan terug.

Haar afwezigheid maakt mij stil en eerlijk gezegd een beetje bang. De stilte zet me op mijn plaats, die houdt me vast in het hier en nu, omdat er gewoon niet meer is dan dat. De angst is reƫel. Ze zal toch niet het hoekje om gaan?

Gelukkig heeft ze negen levens en komt ze iedere keer na afloop weer bij me terug. Een paar dagen voel ik me heel alleen, maar op een goede morgen, hoor ik haar weer aankomen op de trap. Dan rommelt ze weer wat met de deur. Ze springt op het bed, en via het bed op de kast, zodat ze op ooghoogte mij kopjes kan geven, terwijl ik zittend op het bed mijn sokken aantrek. Hees miauwt ze dan op haar manier, dat alles goed is en dat het altijd zo zal blijven.

Natuurlijk is zij niet de enige die een dagje ouder wordt. Ik volg haar natuurlijk, in jaren. Zij zal wel hetzelfde gevoel hebben bij me. Vandaar dat ze me ‘s morgens kopjes blijft geven. Dan vertelt ze niet alleen dat zij er nog is, maar ook aan mij dat ik nog aan deze kant van de werkelijkheid rondjes draaf.

Vreemd eigenlijk. Ik zie haar ouder worden, maar zelf ben ik nog steeds achttien, alleen mijn lichaam spreekt mij tegen.

 

Rob Vellekoop, 27 augustus 2020